De meest levensbeschouwelijke vragen komen vaak op de meest onverwachte momenten. Vraag dat maar aan slashparent Tom. Op een blauwe maandag overviel zijn zoon hem met een vraag over god en geloof. You better be prepared!

TOM
Ik zit te tikken op mijn laptop, terwijl mijn zoon van zes een wel erg netelige en levensbeschouwelijke vraag op me afvuurt. Met een ‘Hoe bedoel je?’ probeer ik tijd te winnen. Voor het eerst dient de kwestie geloof zich met enige sérieux aan en ik weet onmiddellijk dat ik het met evenveel sérieux wil aanpakken. Alleen weet ik niet hoe.

Mijn zoon rommelt ondertussen in zijn boekentas. Hij haalt er een A3 uit die beplakt is met prenten van de zon, de maan, sterren, de zee, dieren, planten en twee vrolijke mensen. Trots toont hij zijn werkstuk, waarbij hij zijn vraag herhaalt.

‘Bedoel je misschien God?’ vraag ik op mijn beurt.’ Ik lees verwarring in zijn ogen. ‘De papa van Jezus?’ verduidelijk ik. ‘Ja, die ook,’ antwoordt hij aarzelend.

Ik haal diep adem. Voor mezelf heb ik uitgemaakt dat ik eerlijk wil zijn, ook als dat tot gevolg zal hebben dat ik nog meer verwarring zaai in dat mooie kinderhoofd.

Ik haal diep adem. Voor mezelf heb ik uitgemaakt dat ik eerlijk wil zijn, ook als dat tot gevolg zal hebben dat ik nog meer verwarring zaai in dat mooie kinderhoofd. ‘Nee, jongen, dat geloof ik niet,’ antwoord ik zo droog mogelijk. Zijn mond valt open. Hij knippert een paar keer met zijn ogen. ‘Ik geloof dat wel,’ reageert hij fluisterend en hij staart zich blind op zijn bijbelse knip- en plakwerk.

Mijn vaderhart dreigt te breken en ik neem de kleine kampioen op mijn schoot. ‘Heeft de juf vandaag een verhaal verteld over de schepping van de aarde?’ Zijn ogen vatten opnieuw vuur. Hij knikt heftig. ‘Over het maken van dag en nacht?’ ga ik door. ‘Over de schepping van water en land, planten en dieren, en de eerste mensen Adam en Eva?’ ‘Ja, Adam en Eva!’ schreeuwt hij. ‘Ik wist hun namen niet meer.’ Hij kijkt me strak aan. ‘Dus jij gelooft niet dat Jezus en God de aarde hebben gemaakt?’ Ik schud ontkennend mijn hoofd.

Hij rent naar zijn zus van drie. ‘Nanou,’ zegt hij. ‘Papa gelooft niet dat Jezus de wereld heeft gemaakt.’

‘Maar de juf heeft dat verteld!’ roept hij uit en hij springt van mijn schoot. Hij rent naar zijn zus van drie. ‘Nanou,’ zegt hij. ‘Papa gelooft niet dat Jezus de wereld heeft gemaakt.’ ‘Jezus,’ herhaalt de kleinste van het gezin. Meteen begint ze een liedje te zingen van op school: ‘Dag Jezus, dag Jezus, jij bent mijn beste vriend.’ Dan haalt ze haar pop uit de buggy en wiegt haar schattebout in slaap.

Mijn kampioen staat verweesd in de woonkamer. Hij haalt zijn schouders op en strompelt tot bij mij in de keuken. Daar legt hij zijn werkje naast mijn laptop. ‘Wat geloof jij dan wel, papa?’

Ik ben ondertussen helemaal klaar voor de geschiedenis van de wereld en de mensheid in een notendop. ‘Weet je nog dat we in de grote vakantie naar het dino-museum in Brussel zijn geweest?’
‘Natuurlijk weet ik dat nog.’
‘Wel, ik geloof dat er ooit een grote ontploffing is geweest.’
‘Boem!’ roept hij en hij laat zich op de grond vallen.

Jij mag geloven wat je wil,’ zeg ik. ‘Iedereen mag geloven wat hij wil.’

De leerkracht in me is definitief wakker geschud. ‘Uit die knal is de zon en de maan ontstaan, en ook onze aarde met haar zeeën en land. En uit de zee zijn veel later dieren gekropen die op het land begonnen te leven. En de apen, die in de  bomen slingerden, zijn uiteindelijk mensen geworden.’ Ik ga wat flauw door de evolutionaire bocht, maar ik kan onmogelijk stoppen. ‘Die hebben we in het museum toch gezien, die apen, die als maar meer rechtop gingen lopen?’ Mijn kampioen veert op en imiteert een aap. ‘Uiteindelijk zijn die aapmensen als maar meer en meer mens geworden, met minder haar en meer verstand. En daarom geloof ik dat het een beetje anders is gelopen dan in jouw verhaal van Jezus en God.’ Hij kijkt me teleurgesteld aan. ‘Maar jij mag geloven wat je wil,’ zeg ik. ‘Iedereen mag geloven wat hij wil.’ Ik kom van mijn stoel en neem hem in mijn armen. ‘Weet jij dat er mensen zijn die geloven dat Jahweh de wereld heeft gemaakt?’

‘Jahweh, wie is dat nu weer?’

‘Er zijn ook mensen in het verre India die geloven in een god met het hoofd van een olifant. Ze bidden daar zelfs tot een god met wel vier armen.’

‘Een olifant,’ herhaalt hij. ‘Een god met vier armen.’ Hij maakt zich van me los en rent naar zijn zus. ‘Nanou, in India bestaat er een god met vier armen. Een nog een andere heeft het gezicht van een olifant.’ Zijn zus moet er luid om lachen. ‘En in Afrika loopt misschien wel een god met een krokodillenhoofd rond.’ Zijn typische fantasie komt aardig op gang. ‘En in Amerika bestaat er zeker een god met de kop van een beer.’ Met veel gejoel beginnen broer en zus allerlei dieren te imiteren. Ze kunnen hun geluk niet op. Ik sta er gebiologeerd naar te kijken. Plots kraakt het slot van de voordeur. ‘Oeoeh!’ klinkt het in de hal. ‘Mama!’ roept Nanou en de kleinste stormt de gang in.

‘Papa,’ zegt Basil opvallend serieus. ‘Ik ga aan mama vragen wat zij gelooft. Ik denk wel dat mama dat van Jezus gelooft. En moeti en opa zeker ook.’ Hij steekt een wijsneuzerige vinger naar mij uit: ‘Papa toch.’ Mijn kleine kampioen plukt zijn A3 van tafel en wandelt met goddelijk vertrouwen zijn rots in de branding tegemoet.


Tom MarienTom Marien is zichzelf terwijl zeker tien Tom Mariens de planeet bevolken (bron Facebook). Samen met vrouw Magali slashparent van zoon Basil (6) en dochter Nanou (4).
Tom geeft les en is overdreven geïnteresseerd in de oneindige mogelijkheden van het alfabet. In het najaar verschijnt zijn eerste prentenboek Volle Muil bij Loopvis.