Slashparent An werd als baby geadopteerd. Als Koreaanse baby in een Vlaams gezin belanden en daar dan ook een Vlaamse naam krijgen, bleek niet altijd een evidentie voor haar verdere leven. An kroop in haar pen en schreef haar gevoelens en gedachten even voor jullie neer. 

Er klopt iets niet met mij. Mijn naam en ik passen niet samen. Voor mij voelt het normaal, maar anderen zien dat vaak anders. En voor je er iets geks bij denkt: ik heet gewoon An. Niet Barbie of Bambi of zo’n naam waarbij je automatisch erg specifieke verwachtingen krijgt.

Neen, ‘t is simpel: ik ben geadopteerd. Zo kreeg ik als Koreaanse baby een Vlaamse naam. Banaal, vond ik en dit werd bevestigd door de ontdekking dat An in mijn geboortejaar de populairste Vlaamse meisjesnaam was. Kijk ‘ns aan: ik hoorde er wel meteen bij!

Als kind moest ik mijn identiteit nochtans regelmatig rechtvaardigen: “Van waar ben jij écht? Wat is jouw échte naam?” Mijn ouders drukten me op het hart de onwetendheid van anderen minzaam te ondergaan: “Trek het u niet aan, die mensen weten niet beter.” Het klonk als een magische toverspreuk tegen pijn en schaamte. Maar ook al wisten die mensen niet beter, ik trok het me wel aan.

"De speciale voorraad geduld voor zo'n opmerkingen, raakt stilaan uitgeput."

Voor mijn dochter kozen we dus zorgvuldig een naam die in elk werelddeel courant is. Toch lezen de meeste mensen het vooral als een Aziatische naam. We laten het plaatje graag kloppen. Mijn naam zaaide verwarring, haar naam bevestigt de waarneming.

Af en toe vraagt iemand mij nog eens waarom ik heet hoe ik heet, terwijl ik er uitzie hoe ik er uitzie. In het belang van kennisoverdracht licht ik dan het concept adoptie toe. Die moeite wordt soms beloond met een welgemeende: “Ge spreekt wel heel goed Nederlands.” De speciale voorraad geduld, die ik aanlegde voor dit soort opmerkingen, raakt stilaan uitgeput. Mijn geveinsde tolerantie wordt op de proef gesteld. Ik wil ze niet doorgeven aan mijn dochter. De toverspreuk is definitief uitgewerkt.

In ons gezin gingen de gesprekken  deze zomer trouwens vaak over identiteit en racisme. Ik besefte dat Black Lives Matter ook mij op het matje had geroepen. Als “person of colour”, maar ook als kind uit een wit middenklasse gezin met dito privileges en vooroordelen. Ik wilde niet gewoon toekijken bij de discussies. Of erger nog: wegkijken. Maar ik voelde me triest door de hardheid van mensen en hun meningen.

Als “person of colour”, maar ook als kind uit een wit middenklasse gezin 

Het leven is eenvoudig als je duidelijk bij een kamp hoort. Ik kan niet zomaar een kamp kiezen. Dat wil ik ook niet, besef ik steeds meer. Als je kiest voor een positie tussen zwart en wit, ontdek je dat het daar geen grijze zone is. Het is er ongelooflijk kleurrijk. Echt, als je een eenhoorn of een droom wilt najagen, moet je daar zijn.

Ik klop af op verbondenheid: laat ons een akkoord sluiten dat iedereen zich compleet en geliefd mag voelen in zijn of haar eigen verdeeldheid. Kunnen we dat eens proberen? Kan dat een waardevolle test zijn in plaats van het bruine en blauwe ogen experiment? Kunnen we stoppen met elkaar in kampen te duwen, letterlijk én figuurlijk? Wie weet kan gedeelde goede wil het wel halen van verdelende intenties.

Ik vul mijn speciale voorraad geduld ondertussen nog wat bij.