De zwarte primitieveling in strooien rokje die symbool staat voor het continent Afrika. De witte, oude professor die in zijn laboratorium een ingewikkelde formule bedenkt. De stoere ridder die het blonde, hulpeloze prinsesje uit het doolhof redt. Schoolboeken zijn de afgelopen decennia enorm geëvolueerd, maar stereotypen zijn nog steeds aanwezig. Soms expliciet, zoals in bovenstaande voorbeelden. Vaker subtiel. Denk aan een onschuldige oefening waarin je een pijl moet trekken van een oma naar een appeltaart en een opa naar een pijp. Niets mis mee. Of toch? Wat is de impact van deze stereotypen op het wereld- en zelfbeeld van kinderen? Wat leren ze ervan en hoe kunnen we er als ouder mee omgaan? Slashparent Sofie Peeters zocht het uit. 


De scholen openen weer hun poorten. En wij, ouders, laten onze kinderen er enthousiast doorheen huppelen (of balend door slenteren, al naargelang). Vanuit het volle vertrouwen dat hun hoofden er gevuld zullen worden met nieuwe informatie en uiteenlopende kennis. Maar wat leren onze kinderen er tussen de lijnen van hun handboeken door over zichzelf en de wereld? Hoe representatief of stereotiep is ons lesmateriaal? 

Een verhouding die zoek is

In Nederland namen ze recent de proef op de som. Professor Judi Mesman, decaan en hoogleraar in de interdisciplinaire studie van maatschappelijke uitdagingen, onderzocht er handboeken Nederlands en wiskunde. Zij ontdekte dat vrouwen en niet-Westerse personages ondergerepresenteerd zijn. Vrouwelijke personages kwamen daarnaast ook nog eens vaker voor in de ouderrol of tijdens het uitvoeren van een huishoudelijke taak. De mannelijke personages waren dan weer wat oververtegenwoordigd als wetenschapper, sporter of tijdens een technische activiteit. Niet-Westerse personages kwamen vaker voor in beroepen met gemiddeld een lagere maatschappelijke status . Professor Mesman noemt het een vorm van ‘subtiele stereotypering’ en wijst op het belang van diverse, inclusieve beeldvorming. Waarom? Dat vragen we even na bij decaan sociale wetenschappen aan de KULeuven, professor Steven Eggermont. 

Dat het wel degelijk een impact heeft!

“Er gebeurt minder onderzoek rond de impact van schoolboeken dan over bijvoorbeeld games, sociale media en televisie. Misschien geeft dat aan dat we minder schrik hebben van dat ‘neutrale lesmateriaal’, maar dat is onterecht. Ze hebben wel degelijk invloed op kinderen.” duidt professor Eggermont.  “Ten eerste weten we dat de schoolprestaties kunnen lijden onder stereotiepe beeldvorming. Onderzoek leert ons dat hoe minder kinderen zich herkennen in iets, hoe groter de afstand wordt tot het onderwerp. Als je in wiskundevraagstukken bijvoorbeeld telkens traditioneel Vlaamse jongensnamen leest zoals "Jantje" en "Pietje", dan zullen witte jongens zich aangesproken voelen maar de meisjes en niet-witte kinderen minder. Zij kunnen dan afhaken met het gevoel "Pfff, wiskunde is niets voor mij."
Maar omgekeerd werkt het ook: Wanneer er een afbeelding van een vrouwelijke wetenschapper in het chemieboek staat, begrijpen meisjes de inhoud beter dan wanneer er een mannelijke wetenschapper bij staat. Moeten schoolboeken dan een inhaalbeweging maken en alle wetenschap- en wiskundevraagstukken voortaan over ‘Mieke’ en ‘Anneke’ laten gaan? Volgens professor Eggermont niet. De slinger mag niet naar de andere kant doorslaan.

Mixen die handel en wel nu meteen!

“Een goede mix is ideaal: Jantje, Charlotte, Saïd, Ayana, Kevin,... Hoe meer kinderen zich herkennen in hun boek, hoe meer ze zich aangetrokken voelen tot de leerstof. Maar schoolboeken hebben nog een tweede belangrijke impact. Namelijk op hoe kinderen kijken naar zichzelf en de wereld. Uit alle stukjes informatie die kinderen krijgen, proberen zij eigenlijk hun identiteit te achterhalen. Wie ben ik? Wie zijn wij? Wat is normaal? Wat verbindt ons?... Als Fatima en Amir hun eigen naam in hun handboek lezen, krijgen ze het gevoel "Ik hoor erbij", “Ik ben deel van de groep”, en zelfs “Ik maak deel uit van deze samenleving”.

Beeldvorming in schoolboeken heeft dus niet enkel invloed op ‘de klik’ die kinderen hebben met het lesmateriaal, maar ook de ‘klik’ met de maatschappij.  Bij gebrek aan diversiteit kunnen kinderen afhaken en concluderen er niet bij te horen. Ze voelen zich dan ‘anders’ en ‘uitgesloten’. Dat kan gaan over etniciteit, genderidentiteit, maar ook bijvoorbeeld geaardheid. Als je op school enkel verhaaltjes leest over de prins die trouwt met de prinses, maar nooit eens met een andere prins, zal je dus onbewust aanleren dat homo zijn ‘anders’ is. Dat homo's en lesbiennes geen deel uitmaken van ‘onze identiteit'. Als je dan zelf als jongen wel verliefd wordt op jongens, kan dat slecht zijn voor je zelfbeeld.

“Soms vertonen kinderen en jongeren zelfs compensatiegedrag” licht professor Eggermont toe “Ze voelen zich uitgesloten en steken daarom veel energie in pogingen om toch bij de groep te horen. Het is dan aan leerkrachten en ouders om dit op te merken en het kind te bevestigen in zijn of haar identiteit. Om hen te laten voelen dat ze er mogen zijn en deel uitmaken van de groep. Nefast is een leerkracht die opmerkingen geeft als “Dembe, jouw achternaam is te moeilijk, die kan ik niet uitspreken, hoor.” of “Koen, kan je die verwijfde nagellak van je vingers halen?” Dit maakt de afstand tussen de school, de groep, de samenleving enerzijds en het kind of de jongere anderzijds enkel maar groter en verhoogt het risico op schoolmoeheid of zelfs vervreemding van de samenleving.” 

Zoals het klokje thuis tikt

Als ouder kan je ook een belangrijke rol spelen wanneer je geconfronteerd wordt met stereotiepe beeldvorming of wanneer je merkt dat je kind zich ‘anders’ voelt dan de norm. Eggermont stelt dat er twee manieren zijn om als ouder te reageren “Ofwel kan je je kind expliciet wijzen op het stereotiepe beeld en uitleggen dat het echte leven anders in mekaar zit. Dat het niet enkel oude, witte professors iets kennen van fysica, bijvoorbeeld. Ofwel kan je je kind bewust omringen met andere bronnen van beeldvorming.” Eureka. Wij ouders hebben het voordeel dat we veel tijd spenderen samen met onze kinderen. Op die momenten kunnen we mee bepalen welke informatie er in hun hoofden terechtkomt. Het zijn gelegenheden om bewust die andere, stereotype-doorbrekende bronnen van beeldvorming aan te boren. Als je helpt met huiswerk, verzin dan een vraagstuk over Ali en Heleen die een loopwedstrijdje houden. Als verhaaltje voor het slapengaan, kan je een boek lezen over een jongen die verliefd wordt op een andere jongen. Op zondagnamiddag kan je een film opzetten waarin het vrouwelijk hoofdpersonage een sterk, onafhankelijk figuur is in plaats van een hulpeloze prinses. Mulan and Vayana to the rescue!

Dit geldt trouwens voor alle kinderen. Ook als ze Jantje of Pietje heten. Onderzoek toont aan dat als kinderen op jonge leeftijd leren dat niet iedereen hetzelfde is, dat er variatie bestaat in namen, huidskleuren, geaardheid, gender,...  ze op latere leeftijd zichzelf en anderen ook meer te accepteren. Zo zullen ze er makkelijker mee omgaan dat hun collega Moslim is. Of dat hun zus verliefd wordt op een vrouw. Of dat ze zelf dan wel Jan mogen heten, maar toch niet goed blijken te zijn in wiskunde. Eggermont concludeert:“Kinderen met een breed, inclusief wereldbeeld, groeien op tot mensen die zichzelf en anderen appreciëren in hun eigenheid.”