Waar gaat dat toch naartoe met onze wereld? Een vraag die waarschijnlijk wel al meer dan eens je gedachtengang is gepasseerd. Met al die negatieve nieuwsberichten die je rond de oren smijten, maak je je uiteraard zorgen over de toekomst van je kinderen. En dan heb je Slashparent Tom. Die gelooft dat het allemaal wel goed komt! Laten we dat met z'n allen hopen.

TOM

Eén grote, geglobaliseerde wereld, met als zijn rampen en bedreigingen, is best wel beangstigend. De vragen die dan steeds bij me opkomen: Heb ik er wel verstandig aan gedaan om twee kinderen op de wereld te zetten? Zullen ze zelf op de vlucht moeten slaan? Zullen ze moeten vechten om zuivere lucht en drinkbaar water? En overleven ze die kernramp in hun achtertuin?

Wanneer het angstzweet me uitbreekt, dwing ik mezelf om stil te staan bij een uitspraak van goeroe Herman Brood: ‘Kinderen,’ zo zei hij op een mooie dag, ‘vergroten je angst niet. Ze verkleinen ze.’

Een tijdje geleden was ik met mijn twee koters op stap. De zomer zinderde nog na. We stopten aan een brug. Daaronder stroomden liters donker water naar de zee. Op de bermen aan de dijk gonsde het van bedrijvigheid. Hommels, bijen en vlinders vlogen af en aan. De lokroep van de laatste nectar zorgde haast voor een verkeersinfarct op de kleurige bermen. Mijn kinderen gooiden stenen in het water. Wat later lieten ze, vanop het midden van de brug, grote grassprieten in het water vallen en snelden naar de andere kant om hun bootsprieten te volgen. ‘Goede vaart!’ riep de oudste en de jongste giechelde. Toen stak er een felle wind op. Het bermgras plooide zich naar één kant, net als de lange haren van de jongste. Dan dook daar een plastiek zak op. Hij danste enkele tellen op de planken van de brug en steeg omhoog. ‘Vang die zak!’ beval ik bijna instinctief, ‘voor hij in het water valt.’ De twee renden er achteraan, maar wonnen het niet van de wind. De zak belandde in het water. ‘Jammer,’ reageerde ik. ‘Alweer extra plastiek dat richting zee drijft.’

‘Gaat die zak nu naar de zee, papa?’ vroeg mijn jongste.
Ik knikte: ‘Alles wat in een rivier terechtkomt, belandt uiteindelijk in de zee.’
‘Maar dan gaan we toch gewoon naar zee, papa. En dan haal ik die zak daar uit het water.’ De jongste keek me aan en opende haar armen: ‘Toch?’
‘Het is weekend, papa,’ viel haar broer haar bij. ‘We kunnen morgen nog gaan. Trouwens, mama is dol op de zee.’
Ik keek naar mijn eigen vlees en bloed en moest lachen. Ik zag de onschuld op twee paar jonge benen, boordevol goede wil. Daar staat mijn toekomst, wist ik. En de toekomst ziet er rooskleurig uit. Herman Brood had dat goed begrepen.