Er was eens, heel lang geleden, een roze wolk die het ouderschap werd genoemd. Een plek vol rozengeur en maneschijn, waar je met je versgeperste kroost vol zachtheid in belandde. Een happily ever after na de bevalling.  We weten ondertussen - en gelukkig ook-  wel beter: het ouderschap, dat is eerder een kwestie van appelblauwzeegroenpaarswit. Want heb je die eerste hordes van baby- en kleutertijd genomen, dan stellen zich bij een opgroeiend kind weer nieuwe uitdagingen. Wat als je kind in de lagere school bijvoorbeeld geen primus blijkt te zijn? Hoe gaan slashparents hiermee om?

De herfstvakantie is achter de rug, wat betekent dat de eerste rapporten ook de deur uitgevlogen zijn. Waarschijnlijk rolden de woorden ‘punten’ of ‘mediaan’ wel vaker dan anders over jullie lippen. Of kwamen jullie volledige rapporten of toetsen tegen op de sociale media. Kans is heel groot dat het dan waarschijnlijk over de goede exemplaren gaat, want het feit dat je kind niet uitblinkt op school is iets wat duidelijk nog heel vaak doodgezwegen wordt. Dat ervaart ook slashparent Babs, moeder van een kind met een beperking.

Afgeschreven

Babs' oudste zoon lijdt aan een motorische ontwikkelingsstoornis, waardoor bepaalde handelingen moeilijker of trager verlopen. Hierdoor kon hij, ondanks zijn normaal IQ, moeilijker mee in het reguliere onderwijs. Na het vierde leerjaar nam Babs dan ook de beslissing om haar zoon naar het bijzonder onderwijs te sturen, waar er meer ondersteuning op maat wordt geboden. Haar zoon bloeide open, maar tegelijkertijd merkte ze in haar bredere kennissenkring een opvallende verandering. 

Babs: ‘Sinds we hem van school veranderden lijken mensen plots geen verwachtingen meer te hebben. Hij heeft nu de stempel ‘bijzonder onderwijskind’ gekregen, en voor sommigen wordt dat gereduceerd tot ‘dom’. Het lijkt alsof hij een eindstadium heeft bereikt, waarin hij helemaal afgeschreven is. Terwijl het voor ons vooral een kwestie is van andere methodes die gebruikt worden en andere accenten. Maar de verwachtingen, die zijn er bij ons nog altijd. Een toets is voor ons nog even belangrijk. Het is alleen heel erg jammer dat de buitenwereld dit niet zo ziet.

Wat Babs hier aanhaalt, is een kwalijk gegeven dat ieder van ons misschien al in andere vormen van smalltalk heeft ervaren: we kunnen niet goed om met slecht nieuws. Of beter gezegd, met onverwachte antwoorden. Probeer maar eens op de vraag "Hoe gaat het?" "Niet goed" te antwoorden. Kans is groot dat je geconfronteerd wordt met een grijns of een figuurlijke mond vol tanden. Euhm...

Babs: ‘Er heerst zoveel onwetendheid waardoor zulke gesprekken heel snel ongemakkelijk aanvoelen. Vaak krijg ik antwoorden in het genre van: "Als hij zich maar gelukkig voelt." Uiteraard is dat zo, maar die uitspraken zijn zo negatief geladen dat ik me even snel uit de voeten wil maken als mijn toehoorder.‘

En dat net wanneer er steeds meer kinderen in het buitengewoon onderwijs terechtkomen. Als een gevolg van het M-decreet, zeggen sommigen, dat net meer kinderen met een beperking in een gewone school wil terwijl de nodige ondersteuning daar ontbreekt. Een discussie die we hier niet willen voeren - we zijn immers geen onderwijsexperten - maar als we het taboe kunnen helpen doorbreken, dan zijn we al wreed content. En daar is heus niet veel voor nodig, zegt Babs. ‘Laat de dooddoeners achterwege, en stel gerichte vragen. We zijn superblij als we kunnen vertellen hoe een bepaalde toets verlopen is, hoe hij zich aanpast op zijn nieuwe school of welke vrienden hij gemaakt heeft. Daardoor merk ik dat er oprechte interesse is en lukt het voor mij ook om meer open te zijn.’ Check.

Punten als statussymbool.

Naast de man of vrouw in de straat is er natuurlijk ook altijd die andere, digitale, wereld. Daar waar het leven één al zonneschijn en regenbogen is. Want wie wat actief is op de sociale media, zal het misschien gemerkt hebben in deze tijden van herfstrapporten: trotste ouders die melden hoe fantastisch hun kinderen het doen. Uiteraard is er niets mis met een beetje gepoch. Maar daar waar we het vroeger deelden met collega Jeanine aan het koffieapparaat op het werk, doen we dit nu via een medium met een veel groter bereik. Zonder echt stil te staan bij de gevolgen. Zoals het feit bijvoorbeeld dat dit bijzonder confronterend is voor ouders voor wiens kinderen school net geen walk in the park is. 

Babs: ‘Het lijkt alsof schoolresultaten voor sommigen een vorm van statussymbool zijn. Het delen op Instagram en/of Facebook is één ‘one good news show’: mijn kind doet het goed, dus we zijn goed bezig. Ik voel me daar ongemakkelijk, en toegegeven, ook wat onzeker onder. Je deelt toch ook je belastingbrief niet met Jan en alleman? Bovendien vertellen die punten echt niet het volledige plaatje. Je kent de achtergrond niet, wat je kind ervoor heeft moeten doen of net niet. Het is heel oppervlakkig en ergens ook misleidend.'

Als we dan toch dingen moeten delen, dan vindt Babs het belangrijk om het net wel over die achtergrond te hebben: ‘Ik zal het nooit over resultaten hebben, maar heel af en toe vertel ik iets over de situatie van mijn zoon. Ik merk dat het iets losmaakt bij mensen met andere ‘zorgenkindjes’. Die ouders zitten vaak vast, met al hun vragen en twijfels over leerproblemen, net omdat het taboe zo groot is. Hoewel sociale media een heel oppervlakkig medium zijn, merk ik wel dat de afstand er net voor zorgt dat er over die zaken meer open kan gepraat worden. En ik ben blij dat ik kan helpen.

Meer eerlijkheid op sociale media, we kunnen het alleen maar toejuichen.

Meer in het leven dan schoolse kennis

Kinderen uit de lagere school spiegelen zich heel erg aan leeftijdsgenootjes:  ze merken het goed wanneer ze in iets sterk zijn, of net niet. Hoe gaan kinderen met extra noden hiermee om? En hoe speel je daar als ouder het best op in? 

Babs: ‘Rond de rapporten voel ik de druk steeds toenemen. Het klasgemiddelde is voor hen ook een confronterend iets, want dan voelen ze dat ze een bepaalde plek innemen. Ze vergelijken ook en merken het echt wel wanneer ze ergens onderaan bungelen.’ Voor Babs is het heel belangrijk om zich net niet blind te staren op die momentopname. ‘De afgelegde weg is voor mij belangrijker dan de het resultaat zelf. Mijn omgeving weet dat ook, en houdt daar gelukkig ook rekening mee.' Toch wil dat niet zeggen dat het rapport helemaal geen enkele waarde heeft:  ‘We staan stil bij het minder goede, maar benadrukken het positieve. En er is niks wat een klein kwinkslag of wat humor niet kan oplossen. Heeft hij een slechtere score behaald op godsdienst, dan zeg ik: "Tja, ’t zal dan geen pater worden zeker?"'

Sommige scholen volgen Babs’ redenering. Zo worden er in al wat scholen van het Gemeenschapsonderwijs geen gemiddelden of medianen meer vermeld op rapporten. GO!-woordvoerster Johanna Laurent: 'Gemiddelden zeggen weinig over de individuele prestaties van leerlingen. Een kind dat een 7 op 10 haalt, zal in een sterke klas misschien onder het gemiddelde zitten en in een zwakke groep erboven. Klassen zijn te willekeurig samengesteld om eerlijk te kunnen vergelijken. Het is veel interessanter dat ze inhoudelijke feedback krijgen over welke doelen ze behaald hebben.'

Meer en meer scholen leggen trouwens naast de pure kennisoverdracht ook de nadruk op andere vaardigheden, zoals het ontwikkelen van empathie, samenwerken of conflicten oplossen. Dit wordt dan bijgehouden in een groeimapje, waarin niet enkel de leerkracht beoordeelt, maar ook het kind en de ouders zelf. Een methode die Babs zelf ook toejuicht: 'Elke partij heeft een andere beleving en dat vind ik goed, omdat het verschillende perspectieven kan benadrukken en dit een goede basis vormt voor een open gesprek tijdens het oudercontact. Bovendien legt het de nadruk op zaken die ik belangrijk vind in het leven, misschien zelfs belangrijker dan de kennis die ze op de schoolbanken opdoen.’ 

En dan nog dit…

Nuance én vertrouwen dus, het lijken wel sleutelwoorden wanneer het gaat over (omgaan met) kinderen met leerproblemen. Babs: ‘Weet mijn kind in het vijfde leerjaar nog niet wat de hoofdstad van Henegouwen is? Wel, dat wist ik op die leeftijd ook nog niet. Hij komt er wel, op zijn manier. Daar heb ik alle vertrouwen in.’ 

Ook al is elke situatie anders, we zijn allemaal ouders. En ouders, die praten graag af en toe over hun kroost. In alle openheid. Babs: ‘Mensen zijn kuddedieren, niemand wil graag de uitzondering op de regel zijn. Ook al is de situatie minder gunstig. Dus sla ons niet over maar praat ook met ons. Ook al is het parcours misschien grilliger, we zitten met dezelfde vragen en uitdagingen.’

En hopelijk komen we op die manier, weer een stapje dichter bij een taboeloze wereld.